Iris Eysermans uit Kessel is organiste van opleiding. Naast het orgel bespeelt ze ook drie laatmiddeleeuwse klavierinstrumenten: het portatief, het clavissimbalum en het clavecyterium. Daarop speelt ze vooral muziek uit de middeleeuwen, gecombineerd met improvisatie. Middeleeuwse muziek is vaak speels en sterk ritmisch, met korte, herhalende motieven en minder nadruk op grote climaxen. In haar uitvoeringen geeft Iris deze muziek een heel eigen klank. Ze gebruikt oude repertoires en historische instrumenten niet om de muziek uit het verleden te reconstrueren, maar om er vandaag een nieuw verhaal mee te vertellen. 

Een hart voor oude muziek

Al van jongs af aan koesterde Iris een voorliefde voor oude muziek. Als tiener luisterde ze naar werken van onder andere de Italiaanse componist Claudio Monteverdi (1567-1643) en de Duitse componist Johann Sebastian Bach (1685-1750). Tijdens haar opleiding tot organist kwam ze in aanraking met verschillende zeventiende- en achttiende-eeuwse orgels in Vlaanderen, maar ook in Nederland, Duitsland, Spanje en Italië, samen met hun bijbehorende repertoire.  

Haar interesse in oude muziek bracht haar steeds verder terug in de tijd. Zo volgde ze een opleiding gregoriaans aan het Centrum voor Gregoriaans in Drongen. Deze eenstemmige, Latijnse zangtraditie ontstond in de negende eeuw en ligt aan de basis van de West-Europese muziek. Voor Iris vormde het gregoriaans een belangrijke opstap naar het middeleeuwse repertoire en de instrumenten uit die periode 

Het bespelen van een portatief

In 2023 liet Iris bij de Italiaanse orgelbouwer Walter Chinaglia een portatief bouwen. Dit draagbare pijporgel was bijzonder populair in de late middeleeuwen. Tussen 1200 en 1500 werd het instrument gebruikt in de kerk en was het ook te horen tijdens processies. In de zestiende eeuw verdween het portatief definitief van het muzikale toneel. Hoewel geen enkel middeleeuws exemplaar bewaard is gebleven, leeft het instrument vandaag verder in talloze West-Europese afbeeldingen, van glasramen en beeldhouwwerken tot schilderijen. Wie goed kijkt, kan bijvoorbeeld een portatief spotten in De Musicerende Engelen van Hans Memling, maar ook in een glasraam van het klooster van Vorselaar. 

Hans Memling, Angel Musicians, Wikimedia Commons.

Een portatief bestaat uit een aantal herkenbare onderdelen. Het instrument beschikt over een klavierbestaande uit twee octaven, een reeks pijpen van tin en lood waarin het geluid ontstaat, en een blaasbalg die met de hand wordt bediend en de nodige lucht naar de pijpen voert. Aan de basis van elke pijp zit een stemring, waarmee de toonhoogte nauwkeurig kan worden bijgesteld. Wanneer de muzikant een toets indrukt, opent er onder de bijbehorende pijp een klep. De lucht uit de blaasbalg stroomt vervolgens de pijp binnen, waardoor er een klank ontstaat. De blaasbalg van Iris’ portatief is gemaakt van leer. De kast van het instrument is vervaardigd uit plataanhout, een lichte houtsoortPortatieven worden ook vaak gemaakt van esdoorn. 

Foto: Iris Eysermans

Om het portatief te bespelen, rust het instrument op de schoot van de muzikant. Het spel vraagt een goede balans: met de linkerhand wordt de blaasbalg bediend, terwijl de rechterhand het klavier bespeelt. De duim van de rechterhand wordt bijna niet gebruikt om toetsen in te drukken. Omdat slechts één hand vrij is om te spelen, klinkt de muziek op het portatief meestal eenstemmig. Dat betekent dat er telkens maar één melodielijn te horen is. Wanneer twee of meer onafhankelijke melodielijnen tegelijk klinken, spreekt men van meerstemmigheid. Op een portatief is dat slechts beperkt mogelijk, bijvoorbeeld door een toets langer ingedrukt te houden met één vinger of door een klein kaartje tussen een toets te steken, zodat de noot blijft klinken.  

Foto: Frank Emmers

Een stabiele toon vinden en vasthouden is misschien wel de grootste uitdaging bij het bespelen van een portatief. Die controle ontwikkel je door lange tonen te oefenen, waarbij je de klank geleidelijk laat overgaan van piano (zacht) naar forte (krachtig) en weer terug. Dat vraagt niet alleen een gelijkmatige bediening van de blaasbalg om trillingen te vermijden, maar ook een scherp en fijn afgestemd gehoor.  

Een portatief is geen instrument voor beginners. Wie ermee wil spelen, heeft meestal al ervaring als organist of pianist en voelt zich vertrouwd met oude, middeleeuwse muziek en haar repertoire. De harmonie, of samenklank, is in oude muziek immers anders opgebouwd dan we vandaag gewend zijn. In de middeleeuwen vormen vooral het octaaf en de kwint de basis van de samenklank. Een octaaf is de afstand tussen twee tonen met dezelfde naam, bijvoorbeeld van re naar de volgende hogere re. Een kwint is de afstand tussen twee tonen die vijf toonstappen uit elkaar liggen, zoals van re naar la. Samen bepalen deze intervallen de typische klankkleur van de middeleeuwse muziek.  

Het bespelen van een clavissimbalum

In 2021 liet Iris bij de Duitse instrumentenmaker Gregor Bergmann een clavissimbalum bouwen, een laatmiddeleeuws toetsinstrument dat wordt beschouwd als de draagbare voorloper van het klavecimbel. Van het instrument zijn geen exemplaren en slechts weinig afbeeldingen bewaard gebleven. Veel hedendaagse reconstructies zijn gebaseerd op het bouwplan van de vijftiende-eeuwse Nederlandse arts, astronoom, astroloog én organist Arnaut de Zwolle.  

Foto: Iris Eysermans

Een clavissimbalum bestaat uit gespannen metalen snaren die zijn ondergebracht in een langwerpige, vleugelachtige houten klankkast. De kast van Iris’ instrument is gemaakt van esdoorn en versierd met rozetten: versieringen rondom de klankgaten van het instrument. Een clavissimbalum beschikt bovendien over een klavier met een iets groter bereik dan dat van het portatief. Wanneer een toets wordt ingedrukt, tokkelt een klein plectrum de snaar aan, die vervolgens gaat trillen en klinken. In tegenstelling tot het klavecimbel heeft het clavissimbalum geen dempers. Daardoor blijft de snaar vrij uitklinken zodra een toets is aangeslagen, wat zorgt voor een heldere en sprankelende klank 

In tegenstelling tot het portatief wordt het klavier van een clavissimbalum met twee handen bespeeld. De duimen worden slechts sporadisch gebruikt. Omdat de toetsen klein en erg gevoelig zijn, vraagt het spel om een nauwkeurige vingerzetting. Ook het repertoire van het instrument vormt een uitdaging: de muziek voor clavissimbalum is vaak snel en virtuoos. Het bespelen van het clavissimbalum vraagt dus om een grote technische vaardigheid van de muzikant. 

Foto: Wim Verheyen

Het bespelen van een clavecyterium

In 2025 kocht Iris een clavecyterium, gebouwd door de Duitse klavecimbelbouwer Matthias GriewischDit instrument werd voor het eerst in de late vijftiende eeuw gebouwd en is daarmee net iets jonger dan het portatief en het clavissimbalum. Van het clavecyterium is wél een historisch exemplaar bewaard gebleven, dat vandaag te bezichtigen is in het Royal College of Music in Londen. Vermoedelijk werd het instrument vroeger vooral bespeeld in de salons van de rijkere adel.  

Foto: Iris Eysermans

Net als het clavissimbalum bestaat het clavecyterium uit snaren, een klankkast en een klavier. Het verschil is dat de klankkast bij het clavecyterium rechtop staat. De snaren zijn bovendien zichtbaar en gemaakt van dierlijke darm in plaats van metaal, wat een harpachtige klank geeft. Ook de toetsen zijn iets groter dan bij de andere twee instrumenten.  

Doordat de snaren zichtbaar zijn, kan het clavecyterium niet alleen via het klavier worden bespeeld, maar ook rechtstreeks op de snaren, zoals een harp. Het is zelfs mogelijk om beide technieken te combineren: met de ene hand de snaren tokkelen en met de andere hand de toetsen bedienen. Dat vraagt wel om de nodige oefening. 

Dankzij het grotere bereik van het klavier leent het clavecyterium zich bovendien voor vroege renaissancemuziek, die een ruimer toonbereik vraagt dan het middeleeuwse repertoire. De vroegste klaviermuziek bleef namelijk beperkt tot ongeveer twee octaven, maar dat bereik werd doorheen de tijd steeds verder uitgebreid. Ter vergelijking: een moderne piano beschikt vandaag over een bereik van maar liefst zeven octaven.  

Een ander belangrijk verschil is de toonhoogte van het instrument. Het clavecyterium van Iris staat op 523 hertz, wat aanzienlijk hoger is dan de stemming van 440 hertz die vandaag gebruikelijk is. Dat betekent dat de toonhoogte van het instrument hoger ligt en alle noten frisser klinken dan bij instrumenten met een lagere stemming. Zo’n hoge stemming is typisch voor de middeleeuwen.  

De stemming van Pythagoras

De beroemde stelling van Pythagoras kent iedereen, maar wist je dat Pythagoras ook een eigen stemming ontwikkelde? Wanneer Iris haar portatief, clavissimbalum en clavecyterium stemt, baseert zij zich op de stemming van Pythagoras. Stemmen is het afstemmen van een muziekinstrument om voor elke noot de juiste toonhoogte te bepalen. De stemming van Pythagoras is een manier om instrumenten te stemmen. Bij deze stemming worden de tonen niet willekeurig gekozen, maar opgebouwd volgens één vast principe. Dat principe is de kwint. Bij het stemmen volgens Pythagoras vertrek je van één basistoon en stem je de andere tonen door telkens een reine kwint hoger of lager te gaan. Op die manier worden stap voor stap alle toonhoogtes vastgelegd. Deze manier van stemmen was vooral populair in de middeleeuwen en sluit goed aan bij de muziek uit die periode. 

Meer info

Bijdrage: Iris Eysermans
Foto poster: Marie-Noëlle Bette (2018)

Website Iris Eysermans
Instagram Iris Eysermans

Gepubliceerd: 18/05/2026

Immaterieel erfgoed leeft en verandert mee met de gemeenschap. Wat je hierboven leest, is hoe deze praktijk er vandaag uitziet, maar tradities blijven groeien en veranderen. Heb jij andere verhalen of aanvullingen? Deel ze gerust met ons.