Willy Willems uit Lille maakt bijenkorven volgens de traditionele techniek van het spiraalvlechtenVan jongs af aan kwam Willy via zijn grootvader in aanraking met het imkeren en het vlechten van bijenkorven. Na diens overlijden begon hij rond zijn zestiende zelf bijen te houden, maar dan in kasten, omdat korven toen als oubollig werden beschouwd. Enkele jaren geleden startte Willy zelf met korven maken. Dat doet hij met natuurlijke materialen uit de buurt. Vandaag geeft hij zijn kennis en vaardigheden graag door aan volgende generaties, zodat het ambacht van het korfvlechten blijft voortleven.  

Willy samen met zijn grootmoeder en grootvader, die korven vlechtte, in 1969.

Willy als korfvlechter samen met zijn vrouw en kleinzoon in 2026.

Vlechten met roggestro

Je kunt korven vlechten met heel wat materialen, maar in de Kempen is roggestro ideaal. Roggestro bestaat uit de gedroogde, holle stengels van rogge die overblijven nadat de graankorrels eruit zijn geslagen. Het groeit goed op de arme zandgrond, is lang genoeg, waterbestendig en bijzonder geliefd bij de bijen. Ook pijpenstrootje heeft die eigenschappen, al is het wat stugger om mee te vlechten. 

Sinds de jaren 1960 en 1970 werd het voor korfvlechters steeds moeilijker om geschikt roggestro te vinden. Vroeger oogstten boeren hun rogge met een pik, waardoor de graanstengels lang en onbeschadigd bleven. Vandaag gebeurt dat met een maaidorser, een machine die de rogge in één keer maait, dorst en reinigt. Dat is een pak efficiënter, maar de graanstengels worden daarbij volledig versnipperd, waardoor je er geen korven meer mee kunt vlechten.  

Samen met Natuurpunt Lille zet Willy zich in om enkele veldjes in zijn gemeente opnieuw om te vormen tot historische graanakkers. Voor Natuurpunt is het een kans om de typische kruiden die op de roggeakkers thuishoren weer te laten groeien, en voor Willy biedt het een unieke gelegenheid om het roggestro, dat na het korenpikken achterblijft, te gebruiken voor het vlechten van bijenkorven.  

Het roggestro wordt ontdaan van alle korenaren en helmblaadjes. Zo blijft er zuiver stro over dat ideaal is om mee te vlechten.

Het korenpikken vindt meestal eind juni plaats. Willy kreeg van zijn vader een oude boerenwijsheid mee: “Op Sint-Margriet [20 juli] pikt men koren, rijp of niet.” Die datum was voor boeren een belangrijk richtpunt: als het dan enkele dagen warm en droog was, kon het koren worden gepikt. Vervolgens maakt Willy schoven, bundels van afgemaaide graanhalmen die hij stevig samenbindt en nog een week tot veertien dagen op de akker laat drogenDaarna stapelt hij de schoven binnen zodat ze verder kunnen nadrogen. In de veldschuur van zijn vader slaat Willy het koren met een koperen vlegel uit de graanhalmen. Dat is een tijdrovend werkje, maar zo blijft het roggestro intact. Het graan gebruikt hij opnieuw om in oktober te zaaien, en het stro maakt hij schoon zodat het geschikt is om er korven mee te vlechten.  

Binden met braamstengels

Als bindmateriaal voor zijn korven gebruikt Willy braamstengels, die hij zelf langs de bosrand uitzoekt. Het oogsten doet hij in het najaar of in de winter, wanneer de stengels één jaar gegroeid zijn, maar nog geen takjes of bramen dragen. Voor hij ze kan gebruiken om zijn korven te binden, moet Willy de braamstengels eerst goed voorbereiden. Om te beginnenverwijdert hij de doorns. Zijn grootvader gebruikte daarvoor een koehoorn, maar omdat die vandaag moeilijk te vinden is, werkt Willy met ringsleutels van verschillende diameters. Vervolgens splijt hij de stengel met een zakmes in drie strengen en krabt hij het zachte merg eruit 

Nadat de doorns verwijderd zijn, splijt Willy de braamstengel met een zakmes in drie en krabt hij het merg eruit. 

Daarna maakt hij de strengen soepel door ze voorzichtig rond een voorwerp te buigen, bijvoorbeeld rond een stoelpoot. Zo breken de celwanden lichtjes en worden de stengels buigzaam, waardoor ze perfect geschikt zijn als bindmateriaal. Tot slot rolt Willy de braamstengels op en bergt hij ze op, tot hij ze kan gebruiken bij het vlechten van een nieuwe korf.  

Willy bewaart de braamstengels opgerold, zodat ze soepel blijven. 

Het hele proces is een behoorlijk karwei en vraagt meer tijd dan het vlechten van de korf zelf. Daarom kopen veel imkers en korfvlechters in een bijenhandel rotan, een klimplant uit Azië die meteen gebruiksklaar is. Toch vindt Willy dat vlechten met braamstengels een veel mooier, natuurlijker en vooral lokaal resultaat geeft.  

Bijenkorfvlechten

Voor hij aan het vlechten van een bijenkorf begint, maakt Willy het roggestro en de braamstengels nog even nat. Zo worden ze soepel en minder breekbaar, waardoor het vlechten veel vlotter gaat.  

Het begin van een nieuwe korf is altijd het moeilijkste deel. Willy bundelt eerst een aantal halmen roggestro, dik genoeg om als basis te dienen. Met een braamstengel legt hij een knoopje rond die eerste bundel en maakt hij enkele wikkelingen om het stro strak samen te houden. Dat doet hij met behulp van een priem. Dat is een metalen staaf met een scherpe punt waarmee Willy ruimte maakt tussen het vlechtwerk, zodat de braamstengel er vlot tussendoor kan steken om alles stevig te binden.  

Willy vlecht een wasmand. De techniek is dezelfde als bij het maken van een bijenkorf, alleen de vorm verschilt.

Omdat een bijenkorf rond van vorm is, moet het stro tijdens het vlechten meteen sterk worden omgebogen om de juiste kromming te krijgen. Tegelijk is het belangrijk dat de priem telkens op precies de juiste plek wordt gestoken: afhankelijk van hoe je de priem steekt, wordt de korf meer naar binnen of naar buiten gevlochten. Wanneer Willy merkt dat er weinig stro overblijft in de bundel waarmee hij aan het vlechten is, vult hij die aan. Hij doet dat volledig op gevoel. Sommige korfvlechters gebruiken liever een vlechtring om de dikte van de bundel stro constant te houden. Tijdens het vlechten voorziet Willy een kleine opening in de korf waarlangs de bijen later in en uit kunnen vliegen.  

Als de korf volledig gevlochten is, werkt Willy de bovenrand eerst af met extra bindmateriaal voor meer stevigheid. Daarna plaatst hij in de korf houten spijlen waarop de bijen later hun raten kunnen bouwen. Die spijlen moeten zo worden geplaatst dat de bijen hun raten loodrecht op het vlieggat kunnen aanzetten, zoals ze dat van nature doen. Willy maakt de stokjes uit sporkehout, ook wel vuilboom genoemd, dat hij vindt langs de bosrand in zijn dorp.  

Goed voor bij en planeet

Met de uitvinding van de moderne bijenkast eind negentiende eeuw raakte het imkeren met gevlochten korven steeds meer in onbruik. Hoewel de kasten de honingproductie voor de mens efficiënter maakten en meer opbrachten, blijken de bijen in korven vaak gezonder en weerbaarder. Precies dat is ook voor Willy een belangrijke drijfveer om met gevlochten bijenkorven te werken. In een korf worden de bijen veel minder gestoord en krijgen ze de ruimte om te leven volgens hun natuurlijke ritme. Ze produceren geen grote honingoogsten voor de mens, maar verzamelen gewoon genoeg om hun kolonie gezond de winter door te helpen.  

Willy toont hoe de bijen tussen de spijlen van zijn bijenkorf honingraten hebben gebouwd.

Bovendien zijn Willy’s korven volledig ecologisch: hij gebruikt uitsluitend lokaal natuurlijk materiaal en er komt geen afval aan te pas. In tegenstelling tot houten kasten hoeven er voor bijenkorven geen bomen te worden gekapt en wordt er ook geen verf gebruikt. Het ambacht sluit zo perfect aan bij een duurzame manier van imkeren. 

Meer info 

Foto’s en bijdrage: Willy Willems (Lille) 

Gepubliceerd: 31/03/2026

Immaterieel erfgoed leeft en verandert mee met de gemeenschap. Wat je hierboven leest, is hoe deze praktijk er vandaag uitziet, maar tradities blijven groeien en veranderen. Heb jij andere verhalen of aanvullingen? Deel ze gerust met ons.